Maarssen tijdens de oorlog door Henny Ram

 

 

“Hier radio Oranje, de stem van strijdend Nederland”

 

 

 

 

 

Belevenissen en herinneringen van Gerrie van Ewijk-Degen, geboren in 1932.

 

Mijn eerste oorlogsherinnering was op de dag, dat de oorlog uitbrak. ’s Nachts werd mijn moeder wakker van overvliegende vliegtuigen. Zij wekte mijn vader en zijn conclusie was: we zijn in oorlog. Hij trok zijn uniform aan en ging naar het gemeentehuis. ’s Middags om plm. 12 uur was ik bij mijn moeder in de keuken . Ik hoorde een vliegtuig, wat in die tijd nog heel bijzonder was. Ik wilde gaan kijken in de bijkeuken en kwam mijn vader, politieagent Ab Degen, tegen die naar binnen rende, zijn pistool greep, op de kolenkist sprong in dekking van de perenboom en begon te schieten op een vliegtuig van waaruit hij zelf eerder was beschoten. Dat is voor een8-jarig meisje een ervaring, die diepe indruk maakt!

 

“Op een dag liep ik met mijn vriendin Rietje van Vredendaal naar haar huis in de Bolesteinsestraat. Toen wij in de Breedstraat liepen, passeerde ons een open, in mijn ogen zeer luxe auto, met daarin naar hun petten te oordelen hoge Duitse officieren. Ze reden richting brug. Ik zei tegen Rietje: “Ik durf best ‘rotmof’ te roepen”. “Niet doen hoor”, zei Rietje angstig, maar ik deed het toch. De auto stopte en begon achteruit te rijden. Wij hollen, en doken weg achter de handkarren die voor het huis van Rietje stonden. Toen ze ons niet meer zagen reden ze gelukkig weg. Maar dat was wel heel erg  schrikken!

 

Zo af en toe marcheerde er een groep Hitlerjeugd door het dorp. Voor mijn gevoel een soort padvinderij voor NSB-kinderen. Ze droegen uniformen met veel zwart en een pet met oranje bovenkant. Dat vond ik bespottelijk. Oranje boven, zij wel.

In ons tegenwoordige gemeentehuis Goudestein waren tijdens de oorlog, in een bepaalde periode, evacués gehuisvest. Met een meisje dat daar toen woonde speelde ik meer dan eens op de zolder, die in mijn herinnering een geweldig uitzicht had. Daarna was Goudestein in gebruik van de arbeidsdienst, en er woonden vrouwen die als gezinshulp konden worden ingezet. Vaak liepen ze, onder het luid zingen van krijgshaftige liederen, door het dorp te marcheren. Hoewel hun jurken blauw waren, werden  ‘ groene kikkers’ genoemd. Door de schooljongens werden ze regelmatig  gepest en uitgescholden.

 

Eind zomer 1944,  was ik  12 jaar oud. Mijn vader had ontslag genomen bij de politie vanwege de Jodenvervolging, en hij werkte op het toenmalige gemeentehuis ‘Huis ten Bosch’, waar burgemeester van Haselen de scepter zwaaide. De samenwerking tussen mijn vader en de burgemeester was zeer vruchtbaar te noemen. Vader sprak daarover met mijn moeder, en kleine potjes hebben grote oren. Verplichte tellingen van bijvoorbeeld paarden en wagens werden, volgbaar voor de ambtenaren, in orde gemaakt en verdwenen daarna onnavolgbaar. Bij Huis ten Bosch stond in het park een mooie, grote muziektent waar de fanfare concerten gaf. Onder die tent werd van alles opgeslagen: radio’s, wapens enzovoort. Uit oude, onbruikbare, apparaten werden onderdelen verzameld, die weer tot bruikbare exemplaren in elkaar werden geknutseld. Met de technische hulp van radiotechnicus Anton Bijman, die dergelijke zaken voor mijn vader regelde. Op een zomerdag fietste mijn vader voor gemeentezaken naar Oud-Maarssenveen, waar juist een fietsenvordering plaatsvond. Zijn fiets werd ingepikt, tot zijn grote woede en angst,

want in zijn fietstas zat een pakje met valse stam-en bonkaarten voor onderduikers in dat gebied. Op zijn opmerking: ”ik mag mijn eigendommen toch wel uit mijn fietstas halen?” kon hij het pakje gelukkig meenemen, hij heeft ze verder lopend rondgebracht en is ook weer lopend thuisgekomen. Daar diende hij zijn beklag in bij de Ortscommandant. Die man moest toch begrijpen  dat hij zijn werk niet zonder fiets kon doen! Die avond besloot hij zijn fiets terug te halen. Hij vermoedde dat de fiets in de kelder van Goudestein stond, omdat daar door de Nazi’s veel werd opgeslagen.

Zijn fiets stond er niet, maar uit wraak heeft hij een groot pak molton dekens meegenomen, die hij naar vrienden heeft gebracht in slagerij Dorresteyn. Daar zijn de dekens geverfd. Tante Loes Dorresteyn, haar dochter Luda Dorresteyn en Miep Peters hadden er hun handen vol aan! Later hebben deze dames van de dekens uniformen gemaakt voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Bij sommige uniformen zag je de rode strepen van de dekens nog zitten. Een dag na de inbraak van mijn vader in Goudestein kreeg hij een oproep van de Ortscommandant: hij kon zijn fiets weer ophalen wat hij, zonder een spier te vertrekken, heeft gedaan.

 

De eerder genoemde burgemeester van Maarssen, van Haselen, heeft tijdens de oorlog veel voor de inwoners van Maarssen gedaan. Hij stelde zijn leven in de waagschaal en is op het laatste moment pas ondergedoken, op advies van mijn vader. Een uur nadat hij  was weggegaan kwamen er Duitse overvalwagens naar het gemeentehuis om hem te arresteren. Door een snelle actie van het verzet is het onderduiken van het gezin van Haselen zo goed verlopen. De hele familie was die dag verdwenen. Ze woonden aan de Straatweg. Onder dat huis was nogal wat ruimte. In hoog tempo heeft de ondergrondse al het meubilair onder het huis laten verdwijnen. Toen de overvalwagens bij het woonhuis aankwamen, was dat leeg.

 

Op 31 augustus, de verjaardag van ‘Willemientje’ zetten veel mensen een bosje goudsbloemen voor het raam. Sommige mensen begroetten je met de duim omhoog, wat betekende OZO : Oranje Zal Overwinnen. Als er ’s nachts veel vliegtuigen overkwamen, op weg naar Duitsland met bommen, dan zeiden de mensen de volgende dag: “t Gaat goed!”. Die vlogen heel hoog in de lucht en het gebrom hield uren aan. Ook overdag waren er luchtgevechten, het afweergeschut schoot ook op de Engelse jagers. Je zag dan overal kleine rookpluimpjes in de lucht. Achter het schoolplein stond een dikke boom waar ik inklom om zo een glimp op te vangen van de jagers die het station beschoten. Daarbij was zo’n jager zelfs onder de Maarssense Hogebrug doorgevlogen, zo vertelde men!

 

Tijdens de oorlog hadden wij illegale elektriciteit, verzorgd door de Hr. W. Boot, die aan onze elektriciteitsmeter had gesleuteld. Dat kon omdat de door de nazi’s gevorderde gebouwen, die om ons heen stonden, wel stroom hadden. Met die illegale stroom konden we naar radio Oranje luisteren. “Hier Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland”, klonk er dan. En tegelijkertijd “Joee, joee, joee, dat was de stoorzender, de zogenaamde Mexicaanse hond. Wij luisterden er samen naar met een hele rij verzetsmensen, Zij kwamen voor het nieuws of berichten over op handen zijnde droppings. Ook werden er slagzinnen voorgelezen, waar ik niets van snapte. Code-zinnen als: ‘Rode rozen zijn Rood’, ‘t kan vriezen, ‘t kan dooien’, ‘Wanneer komt de grote Francois aan?’ Later heeft mijn vader uitgelegd wat daarmee bedoeld werd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                    Vader Ab Degen

 

 

 

 

Op een avond toen mijn moeder en ik samen bezig waren met karweitjes, werd er gebeld en er kwamen twee mannen binnen, waarvan mijn moeder er eentje kende.  Deze man vertelde dat de andere man uit een concentratiekamp was ontsnapt en een onderduikadres zocht. Het was een dikke kerel met een brede kop. Ze hadden gehoord dat Ab Degen hem wel aan een adres kon helpen. Mijn moeder vertrouwde het echter niet. Zij deed een kaars en een olielampje aan in plaats van de lamp. Al snel kwam mijn vader thuis, die zij direct van de situatie op de hoogte stelde. Vader stapte op de man af en  ging onmiddellijk tot de aanval over: ”Zo, jij wil beweren dat jij uit een concentratiekamp komt. Weet je niet dat deze mensen niet zo’n kop met haar hebben, en ook niet zo’n bolle harses zoals jij? Maar ik begrijp je wel, je wil alleen maar interessant doen. Je bent een doodgewone evacué. Als ik dacht dat je echt ontsnapt was, bracht ik je natuurlijk meteen weer terug. Maar omdat ik hier over de evacués ga zal ik je naar een adresje brengen”. Hij werd naar de Emmaweg gebracht, maar na een paar dagen was hij plotseling verdwenen. Toen wist vader ook wie hij was, ‘Rooie Willy’ , die zich binnendrong in verzetsgroepen, die hij dan verraadde. Die groepen werden dan opgerold.

 

In het najaar van 1944 kregen we huiszoeking door een groep Duitsers. Mijn moeder stuurde mij naar buiten om tegen mijn broers te zeggen dat ze niet binnen moesten komen.  De moffen bekeken de kelder, waar de winteraardappelen lagen, maar vonden niets. Tegenover ons huis was het kantoor van het busstation, dat was gevorderd door de Duitsers. Vanuit daar werd ons huis altijd in gaten gehouden. Dit bracht erg veel spanning met zich mee, mijn ouders voelden dat het de verkeerde kant uit zou gaan. Vooral voor  mijn moeder was het erg zwaar, zij was zwanger van haar zevende kind.  Haar vriendin , Willy de Kruijf-de Wilde, was veel bij ons om te helpen, maar verklikte ons nooit. Op een morgen ging ik een eindje wandelen met mijn twee zusjes en de afspraak was dat tante Willy, die in Zuilen woonde, ze ergens op de Straatweg weer van mij zou overnemen en mee zou nemen om voor onbepaalde tijd bij haar te  logeren.

 

Een paar dagen later stond er weer een groep Duitsers voor de deur. Vader was de vorige middag ondergedoken. Hij stapte op de fiets alsof hij naar het gemeenthuis ging, maar hij is daar niet heen gegaan. Ook mijn broers waren, door mensen van het verzet, naar familie in Zuilen gebracht. Alleen mijn moeder, die acht maanden zwanger was, mijn zusje Rineke van 1 jaar oud en ik waren nog thuis. Wij werden uit het huis gezet. We mochten alleen goud, zilver, geld, papieren, bonkaarten en 1 verschoning  meenemen. Mijn zusje Rineke heb ik toen naar onze buren Telkamp gebracht, en toen ik weer terug was waren er twee Duitsers die mij aankleedden. Ik kreeg twee jurken en twee jassen over elkaar aan. Dan voel je je echt een vogelverschrikker. Een hoed en een jas voor vader mochten we niet meenemen. Hij kreeg wel een helm, zo werd er gezegd. Met onze schamele bezittingen werden we opgehaald door mevrouw Bollinger bij Telkamp vandaan. Zij was  in die tijd verloskundige in Maarssen. Bij haar  konden wij voorlopig logeren. Bij mijn vriendinnetje Rietje kon ik komen eten, wat toen al wel een  probleem begon  te worden.

 

De volgende dag liep ik samen met Rietje langs ons huis. In de vensterbank stond nog het stenen huisje met vetplantjes, wat we uit onze spaarpot voor onze ouders hadden gekocht toen ze 12 ½ jaar getrouwd waren. Er liep een schildwacht voor het huis, maar ik wilde het huisje toch ophalen. Ik klom achter door het kamerraam naar binnen en  kroop naar de voorkamer. Er lagen veel foto’s op de grond, die ik bij elkaar veegde  en oppakte, greep het huisje en ging zo snel mogelijk weer naar buiten, naar Rietje. Ook mijn konijn heb ik uit de schuur gehaald. Helaas heeft het beestje de oorlog niet overleefd. Dat vond ik heel erg, want hij was mijn vriendje. Hij is dezelfde weg gegaan als veel katten. Honger maakt rauwe bonen zoet.

 

Op het tegenwoordige Harmonieplein stond vroeger hotel ‘De Harmonie’ van de familie Verwoolde. Daar zaten hoge officieren die van alles over hun plannen bespraken. Mevrouw Verwoolde, die van Duitse afkomst was, hoorde op die manier nog wel eens iets, en gaf dat door. Zo hoorde zij ook dat de Nazi’s van plan waren ons, enkele dagen nadat wij uit huis waren gezet, te gijzelen om zo vader te dwingen zich te melden. Zij beschouwden hem, naar hun eigen zeggen, als de Fuhrer van de ondergrondse. Wij moesten dus snel verdwijnen. Moeder, die watervrees had, zou ergens bij het sluisje aan de Maarsseveensevaart in een bootje , in het donker, ergens naar toe gebracht worden.  Ik moest mijn eigen weg vinden. Alleen op pad zodra het donker werd, eerst naar de vaart, dan naar de Herenweg. Het was aarden donker.  Daar werd ik opgewacht door een man, die mij meenam naar zijn huis. Deze man vertelde mij dat mijn vader zijn haar rood had geverfd, en een snor had. Na verloop van tijd werden mijn broers Ab en Hans ook gebracht, en kort daarop kwam mijn moeder met Rineke.

Er waren noodbedden voor ons neergezet en na de nodige rust werden wij aan het einde van de  spertijd op een platte boeren wagen gezet. Wij waren veranderd in de geëvacueerde familie de Graaf. Uur na uur reden we door de polders, ingepakt in dekens, want het was heel erg koud, tot op een smal weggetje met knotwilgen, de Zuwe,  richting Ter Aa. Daar stond een man met een fiets, rood haar en een snor, dat was mijn vader. Hij bracht ons naar het huis van het  schoolhoofd. Zijn dochters bakten heerlijke pannenkoeken voor ons. Daarna trokken we weer met de kar verder richting Vinkeveen. Daar kregen we de schrik van ons leven, want een groep gewapende landwachters in uniform, Nederlanders die met de Duitsers heulden, reed ons op de fiets tegemoet, maar zij toonden gelukkig geen belangstelling. Een kar met  evacués hoorde in die tijd eigenlijk bij het straatbeeld. Mijn ouders waren er van overtuigd dat we een beschermengel hadden! Uiteindelijk kwamen we aan in Waverveen bij een oude boerderij waar een vrouw tegen ons stond te schreeuwen. “Hier blijf ik niet”, zei mijn moeder resoluut en zij klom weer op de wagen. Daarna gingen we weer terug naar Vinkeveen, waar we als evacués werden ondergebracht.

 

Door het dorp kwam dagelijks een rijdende gaarkeuken waar je een pannetje koolsoep kon halen, net genoeg voor twee personen en het zag eruit als afwaswater!

Op 10 januari 1945 is mijn broertje Bennie geboren. Die nacht heb ik bij broer en zus, Jan en Kee , Kooi geslapen, waar mijn broers ook al eerder waren ondergebracht. Die maand werd ik ernstig ziek. Ik had een niet besmettelijke vorm van geelzucht, waardoor ik weken plat moest liggen en bijna niets mocht eten. Een aardappel met appelmoes, brood zonder korst. Dat oorlogsbrood was niet weg te slikken, Er zat zelfs stro in. Wel  jam op het brood. Deze levensmiddelen werden door Zwaardewerd beschikbaar gesteld en door mensen van het verzet opgehaald. De suiker was voor Bennie, de jam en appelmoes voor mij. Boven mijn bed hingen foto’s van de prinsessen Margriet, Beatrix en Irene in Canada. En ook een van Henk van Brenk, die veel bij ons over de vloer kwam en ons de illegale krant Trouw en het Parool bracht. Hij speelde dan met mijn kleine zusje. Vlak nadat mijn vader onderdook werd Henk opgepakt, hij was samen met zijn oom A. Hoek op weg om voor enkele dagen te verdwijnen. Hoek wist te ontkomen, Henk werd gepakt. Bij hem werd een wapen gevonden. Ondanks de zware mishandelingen en verhoren heeft Henk verder niets verklapt. Jarenlang ben ik met zijn vrouw Klaasje omgegaan. Zij vertelde mij dat de avond dat hij gepakt is, er mensen in politie-uniformen met hem bij haar thuis kwamen. Hij had toen al geen tanden meer in zijn mond en zijn gezicht was onherkenbaar beschadigd. Een afschuwelijke herinnering. Veertien dagen later is Henk van Brenk gefusilleerd. Als hij gepraat had, dan was er zeker een golf van arrestaties en invallen gevolgd, maar dit was  niet het geval. Enkele maanden na Henk is ook zijn oom Hoek opgepakt en gefusilleerd.

 

Enige tijd later gingen we weer verhuizen en wij werden bij een oom en tante ondergebracht. Veel te eten was er niet. Wel waren er suikerbieten, waarvan stroop werd gekookt. Ik moest erin roeren, de geur maakte me misselijk. Van de pulp, het overblijfsel, werden pannenkoeken gebakken. Het huis was veel te klein voor ons allemaal, en we werden verdeeld over verschillende gezinnen. Daarna mochten wij tijdelijk wonen in het huis van  Evert van Leeuwen aan de Straatweg. Die Evert was ook een verzetsman, die regelmatig bij ons over de vloer kwam. Hij trok met zijn vrouw en kinderen in bij weduwe Klaasje van Brenk, die op deze manier ook werd ondersteund. Wij waren weer terug in Maarssen.

 

Ondertussen was het voorjaar 1945. Vader gaf een emmer met eieren, die hij had gezocht in het inundatiegebied. Ook een jochie uit de buurt mocht van moeder hiervan mee eten want er heerste honger. In maart 1945 ben ik dertien jaar geworden. Op de bovenkant van de kachel mocht ik koekjes bakken van havermout. Tante Loes Dorresteyn breide een jurk voor me uit restanten wol. Ik vond hem mooi want ik liep altijd in trainingspak. Ik moest de jurk dragen, maar het was een warm voorjaar….ik krijg het nog benauwd als ik eraan denk!

 

Het was 5 mei 1945, ons land zou bevrijd zijn en toch werd er geschoten. Er zijn die dag veel doden gevallen. Het was bij ons dus geen feest Ook was er het gerucht dat mijn vader was dood geschoten, maar dit was gelukkig niet het geval.

In die dagen kwamen er vliegtuigen over, die Zweeds wittebrood afwierpen, een lekkernij. Diezelfde week zijn we weer in ons eigen huis getrokken aan de Breedstraat. Het was enorm vervuild. Vrouwen uit de Friezenbuurt hielpen mee het weer schoon te maken. We waren weer thuis!

 

Natuurlijk heb ik ook leuke dingen meegemaakt in de oorlog. Zoals stekelbaarsjes vangen met een schepnet, bloemen plukken voor mijn moeder samen met de kleintjes en al die dingen die een kinderleven zo waardevol maken.

 

Ik heb dit alles verteld voor dit boekje omdat  mensen zich moeten realiseren dat vrede tussen de landen in Europa een groot goed is. Om uit de verschrikkelijke chaos te komen hebben veel mensen grote offers gebracht. Soms moet je wel offers brengen. Uiteindelijk winnen we daar allemaal mee. Haat heeft nog nooit iets goed teweeg gebracht.  Iedereen was het er wel over eens:  NOOIT MEER OORLOG”.

 

 

Razzia

 

Belevenissen en herinneringen van Han Brinkhof

Het was zaterdag 7 oktober 1944. Mijn vader was aannemer sinds 1924 hier in Maarssen. Zijn opdrachtgever was Johannes Verdam, die woonde aan Maarssebroeksedijk in Maarssen.

De opdracht was een schuur te bouwen op zijn erf. De metselstenen, die daarvoor nodig waren, moesten zelf gehaald bij bouwmaterialenzaak Pol en Vinck te Utrecht, die gevestigd was midden in de stad achter de Jacobikerk.

Met de knecht Gert Breij ging mijn vader met paard en wagen naar Utrecht. In de stad aangekomen was er een razzia aan de gang. Alle mannen werden opgepakt. Gert werd ook opgepakt en mijn vader zou dan met paard en wagen terug naar Maarssen moeten rijden zonder stenen. Hij kon dat helemaal natuurlijk niet. Dus mijn vader moest achterblijven en Gert kon naar huis.

 

Nu het verhaal van mijn vader.

Dus opgepakt op het Vreeburg. Heel Stad Utrecht was af gegrendeld. Alle mannen werden het Jaarbeurs gebouw ingedreven. Er waren er bij die een schop of een spa bij zich droegen. Onder tussen vlogen er Amerikaanse of Engelse vliegtuigen over de stad. En toen op pad. Een stel Ouwe Knarren van de Wehrmacht leiden ons door de Viesstraat, Potterstraat, Voorstraat langs de Gasfabriek in de richting van Hilversum.

De Domtoren sloeg 1 uur in de middag. Er waren mannen bij van boven de 50 jaar en jonge knapen van 17. Mijn vader was toen 46 jaar. Durch laufen werd regelmatig geschreeuwd door de Wehrmacht soldaten. Er waren een paar figuren, die begonnen te zingen o.a. "Wij willen Holland houden" en "Voor Koningin en Vaderland". Onze begeleiders lieten het maar toe.

 

Waar wij heen werden gevoerd? Niemand had ook maar een flauw idee er van. Het was aarde donker. Wij hadden ondertussen wel een heel stuk gelopen zonder ook maar iets te eten of te drinken. Op een zeker moment werden wij een smalle weg op gedreven. Het was een pier, want het water klotste onder ons door. Wij zagen lichtjes branden en de contouren van een schip. Als haringen in een ton werden wij in de ruim van het schip gepropt en varen maar. ’s Morgens om 7 uur konden wij op het dek een luchtje scheppen. Het was mistig en het schip lag stil. Het was zondag en er werd wat scheepsbeschuit uitgedeeld. In de haven van Kampen gingen wij aan boord op platte vrachtschepen. De bevolking van Kampen heeft ons geweldig geholpen. Vrouwen en meisjes kwamen met fris water, brood, appels, lakens, dekens en kleding. De schepen vertrokken richting Keteldiep. De nacht door gebracht op het dek. Nicht Rauchen!!! Misschien zouden de vliegtuigen ons kunnen zien. In Zwartsluis aangekomen over een mooie grindweg naar Meppel. Daar op een sportveld gedreven en persoonsbewijzen ingeleverd. Door het Rode Kruis werd er erwtensoep uitgedeeld. Dat smaakte uitstekend.

Er werden groepen gemaakt van honderd tot tweehonderd man. Ik werd bij een boer in Nijenveen ingekwartierd. ’s Morgens om 7 uur gingen wij vanuit Meppel naar Staphorst om in het boerenland tankvallen te graven. Tussen de middag een half uurtje schaften en 5 uur einde werktijd en weer terug naar de basis.

 

Van dat verblijf weet ik niets. Ook niet hoelang. Maar op een dag kwam er een vrachtwagen met de heer Henk van Elst als chauffeur uit Maarssen aan. De bekende bode van Maarssen. Hij had de opdracht botervaten te komen ophalen. Mijn vader is toen mee teruggereden naar Maarssen. Maar bij de brug van Deventer stonden de Duitsers te controleren. Dat werd dan een beetje gevaarlijk. Dan maar zich verstoppen tussen de botervaten. Het was gelukt. Op naar Maarssen.

Om 4 uur ’s nachts stond hij weer voor de deur. Toen mijn vader weg was, mochten wij kinderen om beurten bij mijn moeder slapen. Dat was natuurlijk gauw afgelopen. Ik kon weer naar mijn eigen bed. Voor een nieuw persoonsbewijs heeft politieagent Huisstede gezorgd. Dat heb ik nog.

 

Onschuldig op Wolvenplein

Het was Zondag 7 januari 1945. Ik was 8 jaar. Maar ik kan me van het voorval nog veel herinneren. Mijn vader was naar de kerk naar de Mis van 10.00 uur. Omstreeks die tijd kwamen er een 6 tal Duitsers een inval doen in ons huis Bolensteinscheweg nr 7, genaamd Vijselhove. Met de bekende spreuk op de luifel "Jan bedenck’t, Piet volbreng’t,  Klaesgien laeck’t, Ach wat maeck’t".

Mijn moeder, mijn zus en ik waren thuis met broer Jan van net 3 jaar. Zij vroegen waar mijn vader was, maar dat wist mijn moeder natuurlijk niet. Zij dachten dat er wapens in ons huis verborgen lagen. Alles hebben zij overhoop gehaald. Wij hadden boven grote inbouw kasten. Helemaal leeg gehaald. Er stond ook een ton met meel voor brood. Met hun handen er doorheen gehaald. Dus het zag er niet uit daarboven, maar niets gevonden. Zij dropen af zonder iets gevonden te hebben. 

Maar er bleef 1 mof met geweer “gezellig” bij ons in de kamer zitten. Wachten op mijn vader, die moest mee voor verhoor. Dat was op Wolfshoek, daar zat de grote baas, de Ortscommandant. Of mijn moeder hem een surrogaat kop koffie aangeboden heeft, weet ik niet meer. Dat zal wel niet. Maar waar bleef mijn vader?

Toen hij uit de kerk kwam hebben een paar kinderen hem verteld dat er moffen bij ons in huis waren en dat mijn vader niet naar huis moest gaan. Hij is toen naar Piet van de Hoven, de bakker op de Schippersgracht, gegaan om te wachten totdat de kust veilig was. 

Van de Hoven is toen met een half broodje naar ons toe gekomen om dat te brengen. En gelijk even kijken wat er aan de hand was. Toen hij dat vernomen had, wilde hij weer weg gaan. Maar mooi niet. Lekker gewoon blijven zitten tot mijn vader terug zou komen. Maar op laatst dacht mijn vader, ik zal maar naar huis gaan, want wij kunnen de bakker er toch ook niet bij betrekken.  Zo gauw mijn vader het hekje door kwam, stoof die mof naar buiten en nam hem gelijk mee naar Wolfshoek. Niks gedag zeggen. Als een boef mee. Maar waarom was mijn vader een verdachte? Wat was er gebeurd? Bij het café van Verkuil op Straatweg, vlak bij onze werkplaats, was er een deal gesloten. Met een Duitser die uit het leger wilde stappen. Hij heeft zijn spullen, o.a. geweer en tenue geruild voor burgerkleren. Dit voorval hebben twee kinderen gezien. De moeder van deze jongens hield het met de Ortscommandant in Wolfshoek. Die vrouw heeft op de Schippersgracht gewoond. Die jongens vertelde dat het bij de werkplaats van Brinkhof was gebeurd. Zo kwamen die Duitsers bij mijn vader terecht. Mijn moeder heeft die vrouw in Wolfshoek zien staan bij de commandant op het bureau. Zij wilde wel eens weten, wat er aan de hand was. Van die ontmoeting daar weet ik niets. Vader is op 8 jan afgevoerd naar de gevangenis en naar Wolvenplein in Utrecht. Kapelaan Vendrik en de heer v.d. Akker van Kopergieterij aan de Stationsweg hebben er alles aan gedaan om mijn vader vrij te krijgen. Al die verhoren haalde niets uit, want mijn vader wist nergens van. 

Wat er gebeurd was, hoorde wij later van Art van Eck, de verzetsman op de boerderij aan de Straatweg, die is bij die ruiling betrokken geweest. Uiteindelijk is mijn vader vrijgekomen op 18 jan,1945. Ik heb het Entlassensungschein nog in mijn bezit. De 25 gulden en 16 cent die mijn vader bij zich had heeft hij teruggekregen. Erg aardig vindt U niet?

 

Dit is een oorlogsverhaal, dat mij heel erg is bij gebleven.